Zacht en warm als Stone

Gesprek over het levenswerk van Laura Stone, grootmeester

Als ik in idyllisch Deventer bij The Studio aankom zet de statige woning met de naam van een advocatenkantoor in het portiek me even op het verkeerde been. Tot Laura Stone de deur opent en met haar verschijning rust creëert.

Door Connie Witte
Verscheen in Taijiquan en Qigong Tijdschrift 24, december 2018

Tijdelijk dan toch, want in de woonkamer, bij de comfortabele leunstoelen, neemt ze direct het voortouw: ‘Heb je die gezien?’ en wijst naar een kamerhoog doek aan een muur. Het wandkleed toont, tegen een warm zachtrode achtergrond, acht figuren in levendige kleuren; de acht onsterfelijken uit de daoïstische mythologie.

Laura: Het doek is geborduurd aan het eind van de 19e eeuw en begin jaren 80 uit China naar Indiana USA, dicht bij mijn woonplaats, gebracht. Zoiets betalen, dat was niet goedkoop! Maar het maakte indruk op mij, en ik ben het aangegaan. Dat komt allemaal door T’ai Chi, dat ik zo geraakt ben door Chinese cultuur.

Je bent al jong betrokken geraakt bij taiji?

Ik was 20 toen ik ermee begon, maar had het drie jaar ervoor voor het eerst gezien, met een student van Grootmeester T. T. Liang. Op mijn zeventiende ging ik naar Amherst, Massachusetts, naar de Graduate School of Education, een alternatieve, experimentele school; ik mocht er lessen bijwonen van de ouderejaars studenten. Een docent fotografie en yoga liet mij op een dag T’ai Chi zien. Dat maakte zoveel indruk: het is bijna 50 jaar geleden, maar ik weet het nog precies, ik weet zelfs wat ik aan had. Hij toonde me ook een boek over T’ai Chi, misschien dat van GM Liang.

Vervolgens ging ik naar een klein Liberal Arts College en conservatorium waar ik yoga heb beoefend omdat er geen T’ai Chi was. In die periode zag ik Judyth Weaver de vorm van Cheng Man-Ching doen, maar dat was ver weg van waar ik woonde. Ik was een beetje op zoek; al op zo jonge leeftijd wilde ik meer rust. Ik kom uit Chicago en het leven daar is druk en competitief, mensen praten hard en snel. Ik voelde me ook niet verbonden met mijn lijf, vroeg me toen ik 14 was niet om te dansen, dat deed ik niet. Ik was ook niet echt sportief, wel actief, en bij ploegsporten op school een beetje agressief, altijd vooraan. T’ai Chi was echt goed voor mij; het gaf me niet alleen fysiek, maar ook mentaal rust.

Op 4 juli 1972 zag ik een oudere man onder een boom bij Lake Michigan T’ai Chi doen. Hem heb ik nooit meer gezien, maar Robert Cheng, zijn leraar, werd mijn eerste leraar.

Je was visueel geraakt door taiji?

Toen ik het zag wist ik het meteen. Ik ging drie à vijf keer per week naar hem toe, en hoewel hij ook een vorm van T’ai Chi Sanshou deed, had ik niet door dat het een vorm van zelfverdediging was. Voor mij was het een soort dans; ik was geraakt door de interactie, door de mooie bewegingen.

Toen ik naar Indiana University ging om muziek te studeren zocht ik iemand om verder T’ai Chi bij te leren; 35.000 studenten maar niemand die T’ai Chi-les gaf. In de ‘Free University’ kon je lessen aanbieden of vragen. Ik heb een kaartje ingevuld: ‘Ik zoek mensen met wie ik T’ai Chi kan oefenen’. Twee weken later stond mijn naam op een affiche, als leraar T’ai Chi, en snel erna stond ik in een conferentiezaal met 20 mensen. Vier van de aanwezigen wilden T’ai Chi van mij leren. Natuurlijk heb ik het mijn leraar gevraagd, want, hoewel intensief, was ik toch pas 15 maanden bezig: ‘Mag ik T’ai Chi-les geven?’, en hij zei: ‘Als je eerlijk bent over wat je weet en wat je niet weet’.

Snel beginnen met lesgeven kan een boost zijn voor je eigen leerproces?

Ik ben een precies iemand en ik vergeet dat eerste jaar nooit: nu kan ik op elk moment van de vorm een beweging beginnen, midden in een beweging ook, maar toen niet. Mijn leraar zei: ‘Je denkt teveel.’ Ik kon niet anders, het was mijn eerste jaar.

In die tijd ontmoette ik de man met wie ik zou gaan reizen; zijn eerste leraar T’ai Chi was Grootmeester William C. C. Chen. Mijn kamergenoot in Bloomington zei dat zijn lerares haar debuut ging geven in Carnegie Hall, of ik met hem naar New York wilde? Ja dus, 14 uur rijden, no problem! Het bleek een geweldige timing, want toen ik in de school van Professor Cheng Man Ching, Shr Jung, kwam was de professor zo’n zes maanden dood en waren de andere hem toegewijde studenten Maggie Newman, Ed Young, Lou Kleinsmith, Tam Gibbs, misschien ook Mort Raphaël, Stanley Israël, echt de inner circle, daar nog samen. Ik mocht mee pushen. Geweldig.

Ik ging ook naar de school van GM Chen. Hij deed een oefening met de studenten die heet bread dough, waarbij je direct op het lijf van je partner pusht om die te laten meegaan en verzachten. GM Chen was bezig op de buik van een zwangere vrouw te pushen. Zo mooi. Zo ontspannen met plezier. Fijne training en sfeer.

Je was weer visueel geraakt?

Dit is interessant; jij verbindt het met het visuele maar het is wat ik voel op dat moment, er gebeurt iets in mij kinesthetisch. Ik ben niet zo goed om met beelden T’ai Chi te doen. Het is meer zien hoe het voelt en dat nadoen; ik kan bewegingen makkelijk nadoen. Sommige beelden, zoals de golven van de oceaan, vind ik wel heel mooi, met het geluid en hoe dat water op en neer gaat, maar als je begint over mechanische dingen, nee.

De langzame, zachte en vriendelijke bewegingen van T’ai Chi Chuan zijn als de golven van de oceaan. Ze rollen aan en vervloeien weer en brengen zo een ononderbroken stroom van energie voort.

Grootmeester William C. C. Chen

GM Chen staat bekend om zijn bodymechanics?

Dat is zo, hij benadrukt altijd het ontspannen en loslaten. Ook hoe je een ander kunt ontwortelen met moeiteloze kracht. Zijn zoals de golven van de oceaan, die golven proberen niet omhoog te komen! Ga gewoon ontspannen en op een gegeven moment voel je een energie omhoog komen; dát was wat mij aantrok. Die eerste jaren hebben we erg veel getraind op de lessen en workshops. Hands on. GM Chen trainde persoonlijk met iedereen.

Beelden raken je wel?

Pushen met Grootmeester Chen in 1979

Pushen met Grootmeester Chen in 1979

Later pas. In 1976 ging ik naar Hawaï; mijn vriend Peter Kneip studeerde er kalligrafie bij Ho Tit-wah, die toen juist 100 werken geschilderd had. Bij onze ontmoeting vertelde ik hem wat ik voelde bij ieder schilderij. Het was magisch, dat gevoel voor beeldende kunst; ik kwam uit de muziek!

In 1977 ging ik terug naar Hawaï met Peter en heb er twee keer per week kalligrafie gedaan bij Ho Tit-wah. Dat was mooi; ik had muziek gestudeerd en toen al vijf jaar T’ai Chi Chuan gedaan, ik was al aan het lesgeven; op dat moment daar kwamen die twee kunsten voor mij samen. Het was, en is nog steeds, de beleving van hoe je het penseel vasthoudt, hoe de tip ervan het papier raakt, de wisselwerking met de inkt, het papier, de druk, de concentratie en de betekenis. Ik heb jaren geleden in Amsterdam een workshop gegeven over single whip, als kalligrafie.

Haar armen tekenen bewegingen in de lucht.
Ho Tit-wah wilde dat ik met kalligrafie door ging, maar ik kan niet alles, dus ik ging verder met T’ai Chi Chuan en muziek en meditatie. Maar kalligrafie komt steeds terug in mijn leven. Dat was zo in 1990 met Cong Zhi-yuan; hij heeft lesgegeven in mijn T’ai Chi Chuan school in Bloomington, schilderles, aquarelleren, kalligrafie en pakua.

Muziek en T’ai Chi Chuan kwamen voor mij samen in de kalligrafie

Nu is er Wang Ning, een Chinees die al bijna 30 jaar in Frankfurt woont. Ik ontmoette hem op de jaarlijkse International Pushing Hands Meeting in Hannover; het is bijzonder hoe hij T’ai Chi met kalligrafie verbindt. Ik heb hem uitgenodigd, in maart geeft hij hier in Deventer een workshop.

Op Hawaï studeerde ik ook zes maanden lang vier tot zes uur per dag bij een leraar die half Chinees half Hawaïaans was, Sam Kekina, een oude surfer en bokskampioen. In dat halve jaar bij hem heb ik 12 vormen geleerd. Hij vond het leuk om mij te plagen met zelfverdediging en dát heeft mij een soort van wakker geschud.

In die tijd, 1977, volgden Peter en ik ook een workshop van een week bij Grootmeester Benjamin Lo. We wisten niet wie hij was! Daar had ik mijn eerste ervaringen met zwaard, met lange standen en pushing hands. Benjamin Lo was een heel warm mens, speels.

Daarna ben ik drie maanden naar Taiwan gegaan; ik heb er o.a. zwaard gestudeerd bij Mr. Tuan You-chang. Als je zwaard studeert begrijp je, dit is een vechtkunst! Hij was een leuke leraar, boeddhist, en een beetje zwaar, maar als hij sprong was het alsof hij vloog, zo mooi.

In die tijd had ik al veel frustratie gehad van pushing hands bij GM Benjamin Lo: hij raakte je aan en BAM, je zat tegen een muur. En nu? Wat moet ik doen? Ontspannen ja, ontspannen.

Maar bij Grootmeester Chen was alles goed: hij gééft je suggesties, beelden, hands-on dingen, het was léuk en zo is hij nog steeds, ik vind het zo’n bijzonder iemand. Hij zegt: ‘right, right, right’. Dan ga je ontspannen. Daarna geeft hij een verfijning om de beweging beter te doen en begrijpen.

Op de terugweg uit Azië eind 1978 ging ik dan ook bij hem langs in New York. Hij zei: ‘Je hebt niet zoveel geld, kom later eens terug. Kijk gewoon naar de les.’ Dat was interessant; geen druk om mee te doen. Ik was helemaal verkocht. In juni 79 ben ik weer bij hem langs gegaan en heb ik gezegd: ‘Ik wil graag alles volgen wat ik mag volgen.’ Hij vroeg: ‘Wil je boksen?’ ‘Ja’, zei ik.

Je was pianiste! Maar je had zin in boksen?

Nee, dat niet, ik was een braaf meisje en ben nooit een vechter geweest, maar hij bood het aan, dus deed ik dat. Nou, dat heeft mijn leven veranderd. Boksen doet iets met je. Nu terug naar de bodymechanics: je hebt dus zachtheid en beweeglijkheid van pushing hands en het ontwortelen, want hij begon met het ontwortelen, en zorgen dat je comfortabel bent met intiem contact, en speels. Het was heel actief toen, met veel drills. Ik heb hem meteen uitgenodigd naar mijn school in Bloomington, Indiana, en dat was het begin van iets heel bijzonders. Vanaf november 1979 kwam Grandmaster Chen twee tot vier keer per jaar naar Bloomington en tussendoor ging ik naar hem. Dat was heel intensief en speciaal. In 1981 begonnen mensen van buiten te komen. Er was een kerngroep die intensief met hem trainde in mijn school. Ik heb iets van 50 workshops met hem georganiseerd. In 82 of 83, ik was 30, ging ik als assistent mee naar Hawaï en heb ik hem gevraagd of ik mijn school in zijn lineage kon benoemen: A Center for William C. C. Chen’s T’ai Chi Chuan. In 1986 heb ik van hem mijn diploma ontvangen en in 1991 benoemde hij me tijdens een workshop tot Master. Beiden kwamen als een verrassing trouwens. Mijn T’ai Chi carrière is toen echt goed begonnen.

Grandmaster Chen komt vanaf 1978 in Nederland?

Ja, en in 87 ben ik met hem mee gekomen naar Europa, naar Cornelia Grüber in Zwitserland, naar Amsterdam waar Maartje van Staalduijnen actief was, en naar Bremen, de school van Louis Molera.

Daarna ben ik voor Grandmaster Chen twee jaar naar Zweden gegaan, naar de school van Claes Tarras Ericsson, en naar die van Luis Molera in Bremen en van Linda Lehrhaupt in Bedburg, bij Düsseldorf. Vanaf 88 gaf ik elk jaar workshops in Europa.

Wat heeft je hier gehouden?

De liefde heeft me hier gehouden. Ik heb Fred van Welsem op een workshop ontmoet. Nadat we samen met kerst 1993 bij GM Chen in New York getraind hadden brachten we twee weken vakantie door in mijn huis in het bos van Bloomington waar we besloten om te trouwen. Ik heb een jaar nodig gehad om mijn school af te bouwen en afscheid te nemen van mijn studenten. Vanaf toen wilde ik meer uitgebreid leven, niet alleen voor mijn carrière. Ik gaf lessen T’ai Chi en begon weer piano te spelen. Dat is een andere rode draad in mijn leven, die ik hier weer opgepakt heb, de piano. We zochten een plek om een nieuw leven te beginnen, en dat is Deventer geworden.

Waaruit bestaan je workshops?

Wat ik doe is eerst de bodymechanics, de principes die je toepast in de vorm, dan meeneemt naar de applicaties, dan gebruikt in de PH, en dan in het boksen. Ik houd van boksen en wil het geven. Voor mij is boksen direct verbonden met de T’ai Chi-vorm, principes en de filosofie, en het is leuk actief!

Leren bij Grootmeester Chen is léuk; hij zegt ‘right, right’ en je ontspant

Alles vanuit het innerlijk voelen. Ik laat mensen eerst ontspannen zichzelf aanraken. Daarna is de stap naar het aanraken van een partner bijna vanzelfsprekend. Samen oefenen op een leuke manier, dat betekent: in een omgeving die veilig is. Ik geef aandacht aan iedereen en zie wat er nodig is om de oefening goed te doen, en gun de ruimte waarin het oké is om dat uit te proberen.

PH kan heel snel competitief worden, te hard; vooral vrouwen worden dan bang. Ik doe PH vanuit het zachte contact. De oefeningen die ik gebruik zijn van GM Chen met invloeden van dr. Tao Ping-Siang en GM Peter Ralston, zo zacht en moeiteloos. Ik ga heel langzaam en neem een klein stukje om te oefenen, om te proberen de terughoudendheid te overbruggen, en te tonen dat het mogelijk is om in verbinding te komen. Dat is een overtuiging van mij: mensen willen contact, we zijn sociale wezens. Maar hoe kun je precies toestemming, of beter, de ruimte geven zodat dat oké is?

Je man, zei je, is van advocaat mediator geworden. Staat vechten in eenzelfde verhouding tot T’ai Chi boksen en push hands? Of is zacht zijn slechts bedoeld om een opening te vinden voor een aanval?

Hier wil ik op ingaan. Want sinds vijf jaar weet ik bewust hoe dat zachte contact en het boksen verbonden zijn.

Bij het gevoel aangevallen te worden ben je geneigd terug te vallen op je automatische reactie, die komt uit je reptielenbrein. Daarover heb ik voor het eerst gehoord van GM Peter Ralston; als iets agressief bij je binnenkomt, geeft het reptielenbrein een automatische reactie. Bij T’ai Chi kun je een soort grond bouwen van zachtheid en vertrouwen, en ruimte en flexibiliteit. Die is ook gebaseerd op evenwicht en balans, als alles verbonden is en je in je ontspannen kracht staat. Maar je gebruikt je kracht beheerst, je wéét wat je doet. Die moeiteloze kracht komt uit zachtheid, uit het bijna niks doen. Dat is een van de belangrijkste dingen in T’ai Chi Chuan. Voor mij bouwt dat zachte, speelse contact die grond op. We zijn dus bezig om iets niet normaals te trainen.

Ik ga nog een stap terug: T’ai Chi Chuan is een verdedigingskunst. Je eerste reactie is altijd verbinden, meegaan, stel jezelf veilig, en er niet tegenin gaan. Je hebt dan een moment, een fractie van een seconde soms, om te zien wat nodig is. Er zijn krachtige bewegingen, misschien heb je ze nodig, misschien niet. Dus je traint tijd en ruimte creëren. Maak contact, dus je bent ook niet weg. Ook een reactie van het reptielenbrein, als iets je angst geeft ga je er tegenin of van weg. Dus maak contact, fysiek, misschien ook oogcontact, je bent daar, je laat iemand vaak heel dichtbij komen, maar je houdt je eigen ruimte, daar wordt op getraind.

Bij boksen train je ook andersom, je kijkt wat er gebeurt als je een stoot geeft of een stoot incasseert, er zijn meer prikkels van snelheid en kracht. Hoe kun je ontspannen blijven onder druk?

Je bent dan de agressor?

Ik zou zeggen de aanvaller. En daarbij kies je of je kracht laat voelen of agressie, dat is een verschil. Het kan zijn dat iemand je aanvalt, niet uit agressie, maar uit overlevingsdrang.

Bij boksen leer je eerst de techniek in de stijl van GM Chen.

Hou je hand eens omhoog, en ze stoot met haar vuist een aantal keren vliegensvlug naar mijn hand.
Ik ga naar je toe maar kom niet binnen. Onze automatische reactie is om in je hand te drukken maar dat doen we niet, we trainen eindhoudingen, zogenaamde memory shapes, dat zijn posities van zachte verbondenheid in structuur. Je komt dan de weerstand van de ander, zijn soliditeit, tegen. En ik ga het niet loslaten, ik kom die tegen en ik ga er niet doorheen. In het Engels is het I stand my ground. Op het moment van contact is er in mijn eigen lijf overal ruimte en verbondenheid, en ik verbind me met aarde en hemel.

Dat is hetzelfde als in PH, dat ik me verbind met jouw wortels, met je hele lijf. Mijn beeld voor een goede push is dat van een ouder die zijn kind in de lucht gooit en zacht weer opvangt. Mijn ideale duw voelt lekker en totaal verbonden. In dat PH-spel ga je meegeven, het betekent vaak dat je heel lang niks doet. Totdat dat moment komt. Ik ben niet iemand die erg dramatische dingen doet, zoals de vloeiende, krachtige ontworteling van GM Peter Ralston of de zachte gewrichtsklemmen van dr. Tao Ping-Siang. Als dr. Tao maar een stukje van je vinger had wist je, als ik ook maar een millimeter beweeg, gaat het erg pijn doen. Je voelde niets, alleen dat hij helemaal op slot was, zo mooi. Recentelijk heb ik een workshop gedaan met Tony Ward in Hannover en gezien dat in die zachtheid blijven echt mogelijk is. Ik besef dat ik niet zo’n training heb, maar wel heel goed de basis heb en de ruimte. Je moet een commitment maken naar die zachtheid, als je dat niet doet gaat je reptielenbrein steeds opspelen. Het is een levensstreng.

Het lijkt me gevaarlijk om het reptielenbrein tot zwijgen te brengen?

Natuurlijk zijn er grenzen, in een levensgevaarlijke situatie moet je die reactie hebben. Je moet je bewust zijn van je reactie; uiteindelijk gebeurt alles in een fractie van een seconde. In T’ai Chi is er een gezegde ‘van niets naar iets’, je intentie is verbonden met ‘iets’, daar zit niets tussen. Een moment nemen om te ontspannen, aarden, je intentie duidelijk hebben, en dan in actie komen is te langzaam: je bent te laat. Dus je blijft in het niets, in de open ruimte, geaard en getraind; als er iets gebeurt is de actie er meteen.

Je moet een commitment maken naar zachtheid, anders blijft je reptielenbrein opspelen

Je gaat zacht mee, er is contact, en zowel bij boksen als bij PH is de juiste timing belangrijk, dat luistert heel precies. GM Peter Ralston zegt ook: je stelt je open, je bent in verbinding, in interactie. Met de normale snelheid heb je geen tijd om na te denken, je ziet wat er gebeurt, je neemt waar, je voelt het geheel, je ogen zijn open maar niet te gefocust, en je gaat mee in de interactie.

Wat GM Chen in het begin doet, en daar ben ik heel dankbaar voor, is: niet blokken, dus geen afweer. Want als je afweert ben je aan het verdedigen. Je gaat er in als in een mooi spel.

We spelen ook met kracht. Ik heb een oefening waarin we trainen incasseren, op de buik en de kaak, vanaf heel zacht tot hard, net als in de muziek, een crescendo. Je leert goed te ontvangen, en het te geleiden naar de grond, je gaat naar je grens toe, maar er niet over. Dan zeg je: Dit was genoeg. Want als je over de grens gaat, ga je vechten, vluchten of bevriezen. We blijven net daarvoor: wat kun je nog incasseren? Dan weet je dat. Ook andersom is het een oefening, voor degene die geeft. Die kan zeggen, ik wil niet harder, dan weet hij ook waar zijn grens ligt. Je weet hoeveel dat is door heel precies waar te nemen en te ervaren. Je leert stoten geven met kracht maar zonder agressie.

Het lijkt me moeilijk om een klasgenoot, op wie je niks tegen hebt, zo te stoten? De grens vind je alleen door er overheen te gaan?

Wij gaan de grens aanraken. Dan kun je kiezen of je er iets overheen wilt. Je grenzen verruimen, dat is wat er gebeurt in de les. Natuurlijk komen daar alleen mensen die dat willen onderzoeken.

En nu hebben we het over de fysieke kant van T’ai Chi maar het werkt ook door, in relaties bijvoorbeeld, hoe ga je om met situaties op je werk of in een conflict? Dat je daar komt en gewoon je plaats inneemt, je hoeft niet hard te zijn, maar je bent zeker, geaard, aanwezig, open, en je luistert. Dat woord hebben we nog niet gebruikt, het is heel belangrijk, luisteren.

Iemand zei me onlangs: luister naar het gefluister van je lichaam, opdat het niet hoeft te schreeuwen

De meeste mensen luisteren niet goed. Dat is ook wat T’ai Chi doet, die gaat je bewust maken van een ruis bijvoorbeeld. Een beginner heeft geen ruimte om iets anders te doen dan alleen maar die bewegingen te leren. Maar als je daarmee klaar bent, heb je rust en helderheid. De ruis is weg. Luisteren ja, dat is wat ik probeer te bereiken in mijn lessen.

Bij mij gaat het om de zachtheid; ik zeg mijn studenten, dit is wat je van mij kunt krijgen. Dit is wat ik te bieden heb, zachter dan zacht, ik ben een van de zachtsten. Alleen dan komt het reptielenbrein tot rust. Door hardheid te trainen stimuleer je dat brein.

Zo’n vijf à zes jaar geleden, toen ik 60 werd, voelde ik een heel diep aanvaarden, acceptatie, van waar ik was met T’ai Chi. Tot dan was het ‘het kan altijd beter’, ‘eens zal ik het helemaal snappen’. Maar toen zei ik ‘Oké, klaar, ik hoef niks meer te bewijzen’. Willen bewijzen zit in mijn karakter, en hard werken, een goeie student zijn. Maar ik dacht, hé, dit is een ander deel van mijn leven. Ik heb mijn hele leven T’ai Chi gegeven en geleerd en voor het eerst was er een volledige acceptatie. Toevallig ook toen begon mijn student Alwin Wubben filmpjes van me te maken in mijn lessen. Bij het zien ervan was ik voor het eerst in mijn leven tevreden. Ik nam me voor op mijn 65e eenmalig een driejarige opleiding te starten om door te geven wat ik weet. Vorig jaar, het eerste jaar, waren er 17 deelnemers, nu 10. Het is mijn levenswerk.

En intussen ben je door GM Chen benoemd tot Grootmeester?

Ja, dat is ook bijzonder. Ik ben altijd naar GM Chen blijven gaan. In januari was ik met drie studenten op een workshop in Bremen. Zondagsochtends, gewoon tussen de lessen door, zei master Chen: ‘Nou, Laura is hier met mij het langst’ (andere mensen daar komen ook lang bij hem, maar niet sinds 1979), ‘Ik denk dat het tijd is om haar grootmeester te noemen, ze doet het zo lang en ze heeft zoveel studenten, eigenlijk kun je haar Big Sister noemen.’ Voor hem is de titel Grootmeester een soort generatietitel; als je je diploma hebt ben je meester, dan heb je niveau waarop je iets kunt doorgeven. En als je meesters traint ben je grootmeester.

Dit is wat ik te bieden heb, zachter dan zacht, ik ben een van de zachtsten

Er was veel verwarring over, bijvoorbeeld een van mijn collega’s zei, je bent niet míjn grootmeester. Ik zei, nee, natuurlijk niet, dat is niet de bedoeling, want we zijn collega’s. Dus Big Sister is een goed alternatief. Maar het is in de hele lineage, in de lijn, een grote eer en verantwoordelijkheid. Natuurlijk is het niet zomaar, ik ken niemand die deze titel van hem kreeg.

Hoe past deze titel bij je verlangen om je niveau te accepteren?

Misschien is dat het kenmerk van grootmeesterschap. Als je zo’n titel krijgt, ben je het eigenlijk al, het is de erkenning ervan; het is niet dat je dat nu moet gaan worden.

Ben je niet bang een niveau te moeten handhaven?

Nee, daar gaat het niet over. We kunnen het hebben over mijn valpartij eerder dit jaar, of over het feit dat iemand op les mij weggeduwd heeft, of dat iemand mij goed slaat. Het grootmeesterschap betekent niet dat dit soort dingen nooit meer zullen gebeuren; ik ben nog steeds leraar.

Veel leraren zijn bang om pushing hands te geven of om te boksen; ze willen niet afgaan. Maar dat gebeurt. De vraag is: wat doe je ermee? In Indianapolis wilde ik eens met een heel grote student een applicatie laten zien van de eerste afweer, trekken. Normaalgesproken vond hij de lessen prachtig en hij was echt fan, maar toen, in een grote groep met veel beginners, wilde hij iets laten zien en besloot echt te wortelen. Ik kon de techniek niet laten zien. Dat is een interessant moment, wat doe je dan? Ik heb hem gewoon de andere kant op geduwd. Dat is grootmeesterschap, dat je meegaat met wat er gebeurt. Een ander kan zeggen dat je als grootmeester altijd de techniek moet kunnen uitvoeren die je wilt, maar dat is niet hoe ik het zie.

Ik noem mijzelf een T’ai Chi-atleet. Die naam heb ik bedacht toen ik eerder dit jaar viel. Direct na de val en later bij de revalidatie heb ik veel T’ai Chi gebruikt. Een heel precies lichaamsbewustzijn heeft me enorm geholpen met de revalidatie. Een ander leuk woord dat ik bedacht is beweegintelligentie.

Hoezo T’ai Chi -atleet?

Ik zie er niet uit als een sporter, maar heb wel dat bewustzijn. Ik ben een T’ai Chi -atleet, niet in competitie, dat is niet mijn ding, maar in de precisie, in hoe je je lijf kunt beheersen.

Mensen hebben me wel gezegd dat ze een heel ander beeld van me verwachtten dan wat ik ben, mijn fysiek.

Je faam én naam wekken een andere verwachting.

Ik kan ook heel hard stompen. GM Chen zei toen we begonnen met boksen: ‘You have to learn how to take it’, je moet weten te incasseren. Als je weet dat je harde dingen kunt incasseren, krijg je veel zelfvertrouwen. Dus mijn vrienden en ik drukten ons die eerste jaren twee keer per week op om dan tegen elkaar te slaan, zo hard mogelijk. Ik vond dat heerlijk, en nog steeds, gewoon stoeien als jongens. En zonder afweer, dan ben je onbeschermd en kun je zien wat er gebeurt. Nu doe ik: hoe ga je eerst mee en kom je terug? Maar toen was mijn stoere kant me zo hard mogelijk op mijn gezicht laten slaan: kom maar op, no probleem.

Leren meebewegen in de T’ai Chi is mijn redding geweest

Die karaktertrek heeft positieve en minder positieve kanten; ik kan me niet kleiner maken. Natuurlijk heb ik een zachte kant die soms verzorgd wil worden, maar als het er op aankomt ben ik standvastig. Leren meebewegen in de T’ai Chi is mijn redding geweest.

Een conservatoriumstudie vereist ook wilskracht?

Ja, en wilskracht staat zachtheid in de weg. Mijn eerste Zenleraar zei me, het is nodig om een doel te hebben, om een visie te hebben van hoe je kan worden als pianist of als T’ai Chi-er. Maar als je teveel wilskracht hebt, sta je jezelf in de weg. Dat weet iedereen.

Dus hij benoemde de ‘allowing will’; je hebt een wil, kracht, maar je gebruikt ze niet te veel. Wanneer ga je te hard door, wanneer werkt je wilskracht tegen je? Als er te veel fysieke spanning is. Bij T’ai Chi heb je moeiteloze kracht. Je hebt kracht nodig, het is niet alleen maar zachtheid

Ja, ik ben zo blij met wat ik doe, ik ben leraar, dat ben ik mijn hele leven geweest, als meisje al, als we speelden. Ik ben blij dat ik op het punt gekomen ben, dit is wat ik heb, ik geef het door. En mensen hebben ideeën hoe ze dit verder kunnen ontwikkelen; een student is fysiotherapeut en neemt het mee in die ontwikkeling, een ander is bij de politie, wat gaan zij ermee doen, dat vind ik zo interessant. Men zegt dat de echt goede leraar wil dat zijn studenten hem overstijgen. Dat is moeilijk, want de leraar wil altijd de leraar blijven. Dit grootmeesterschap heeft niet alleen betrekking op je vaardigheid maar misschien op je wijsheid. Ik hoop echt dat ze beter worden.

Laura wordt er emotioneel van.
Ik ben ook mezelf nog aan het ontwikkelen, dat voel ik zeker, maar op een heel andere manier, niet om me te hoeven bewijzen, of dat het altijd beter moet.

Ambitie?

Ambities heb ik heel veel, dat had ik ook met mijn school, ik heb altijd hard gewerkt en nog steeds, maar ik heb ook veel energie. Begin jaren 70 had een van de studenten, GM Chung Liang Al Huang, een Chinees danser, lichtjes op zijn lijf. Dat heb ik nog op mijn bucket list staan, om zo de vorm te doen, en dan gefilmd te worden, zodat je niet mijn lijf ziet, maar alleen de lichtjes in de lucht.

Wat maakt je tot een goede docent T’ai Chi, dat je goed bent in T’ai Chi of dat je van mensen houdt?

Speels, bewust en niet agressief

T’ai Chi past heel goed bij mij; zo makkelijk als ik eerder vormen leerde. Maar vorm leren is een ding, het interne werk, dat is iets anders. Toen ik zes maanden bij GM Chen was heb ik gezegd: ik stop met al die vormen. Wat gebleven is, is de interactie. Ik vind dat het grootste cadeau van T’ai Chi Chuan. Je kunt heel mooi de vorm doen, maar het is pas in contact, in interactie, dat je echt leert wat je doet. In interactie leer je om te gaan met andere situaties, met andere mensen. Dat is wat T’ai Chi zo anders maakt dan yoga; yoga creëert ook een mooi lichaamsbewustzijn, absoluut, ik heb er heel veel aan gehad en nog. En aikido vind ik ook heel mooi, maar T’ai Chi Chuan is veel intiemer, je bent steeds in contact met een ander: hoe ontspan je in contact met een ander? Veel mensen zijn bang daarvoor, ze hebben moeite om er in te gaan, ze komen naar T’ai Chi omdat het juist níet een interactie is, om de mooie vorm, de meditatieve kant, voor de gezondheid.

Maar het is zelfverdediging, zonder applicaties ontwikkel je geen gevoel voor wat de afzonderlijke bewegingen betekenen. Bijvoorbeeld ik zeg nooit ‘houd de bal vast’ want voor mij is die beweging naar deze kant een elleboogstoot of naar de andere kant omhoog om een afweer te maken. Ik zie al die bewegingen in de lucht, de lijnen, als kalligrafie.

Al pratend cirkelen haar armen en handen onafgebroken door de lucht.
En er is niks vast, ik gebruik het wordt ‘vast’ ook niet. Vroeger gebruikte ik veel de begrippen floating techniques of zacht ontwortelen. En pushing hands is eigenlijk ‘geen handen’, je handen drukken alleen uit wat er gebeurt in je voeten en je lijf. Bij het boksen zet ik mijn handen bewust in als strategie, want ik wil niet dat je mij verder ziet, ik wil je aandacht afleiden. GM Chen heeft er een naam voor, hij noemt dit palmdancing.

Je noemt T’ai Chi muziek voor je lichaam

Maar in de lessen gebruik ik nooit muziek; de vorm heeft ritme van zichzelf.

Minutenlang is het stil terwijl ze vanuit haar leunstoel een deel van de vorm doet.

De interactie vind ik het grootste cadeau van T’ai Chi Chuan

Een van de mooiste momenten in mijn leven was toen ik een demonstratie T’ai Chi gaf op een klif in Hawaï met de oceaan onder mijn voeten. Ieder eind van een beweging is de bovenkant van een golf. De pauzes in de ademhaling geven voeding aan je cellen. Als je stress hebt, heeft je lijf moeite om voeding te krijgen; letterlijk, op het niveau van het metabolisme van je cellen. Als je gespannen bent, helpt deze vorm, en andere vormen van de Cheng Man Ching lineage, ook het qigong, door veel uitademen, dat leidt tot zachtheid, tot ontspanning.

Je doet ook dansimprovisatie?

Niet zoveel op dit moment. Maar ik heb muziek, klankkleur, componeren, T’ai Chi in mijn lijf. En dat combineren met beeld, want vanuit de kalligrafie ben ik veel actiever gaan kijken. Bij het componeren heb ik altijd mijn stem gebruikt, ik speelde piano klassiek. En nu kwam mijn stem op bij de meditatie, uit het vertrouwen en de open ruimte en laat maar ontstaan en luister. En van daaruit heb ik gevoeld, en dat is een ontwikkeling die nog aan de gang is, kwam ik meer in contact met de levensenergie als ik het zo kan zeggen, die veel groter is, kosmische energie.

En dat kan ook natuurlijk met T’ai Chi: dat jij daar niet bent, je bent in de oefening, in de energie. Het komt door je heen, tussen de hemel en de aarde. Ik noem het T’ai Chi-dansimprovisatie.

Vanmorgen werd ik wakker met een woord: efemera[1]. Het moet zijn omdat alles wat je doet, de improvisaties met je stem, met piano, met je lijf in dans of T’ai Chi, niet vast is, het bestaat alleen op het moment. Behalve je kalligrafie.

Maar kijk eens naar die kalligrafie, een echt goede kalligrafie is niet vast, die beweegt!

Ik heb zoveel over mij, mijn T’ai Chi leven gezegd. Dat kon helemaal niet zonder alle bijzondere leraren, leerlingen en de liefde die mij inspireren en levensenergie geven. Ik heb zo’n grote dankbaarheid.

Op een dag van haar opleiding die ik mocht bijwonen zie ik eenzelfde mengeling van zachtheid en kracht die ik tijdens het gesprek ervoer; loepzuivere precisie en gepassioneerde interventies in een ijzersterk opgebouwde les. Haar bezwerende ‘Niks aan de hand’ in pauzes tussen bewegingen hoor ik nog steeds.

‘Ik zou nog zoveel levens willen hebben’, zegt ze als ik haar weerzie op het STN Festival. De onsterfelijken van het wandkleed zijn goed terecht gekomen.

[1] Het Griekse ephemeros betekent ‘lasting only one day, short-lived’.

Pin It on Pinterest